Notities uit een gekkenhuis


Terug naar de boomhut
24 april 2009, 09:05
Gearchiveerd onder: De Groene Amsterdammer

“Begrijp jij de lol ervan?” Meewarig kijkt de schrijver en anarchist Tom Hodgkinson (Newcastle, 1968) me aan. In de hoek van de huiskamer speelt zijn jongste zoontje Henry op de website Club Penguin. De oude computer staat in een wandkast en de vierjarige zit op een barkruk, alsof zijn vader het computergebruik zo oncomfortabel mogelijk heeft willen maken. “Op deze website kunnen kinderen met elkaar spelen, maar het is toch leuker, gezonder en goedkoper wanneer ze in de tuin of op straat ravotten,” moppert Hodgkinson, die vervolgens vertelt dat Nintendo Wii zijn woning niet in komt, ook al hebben alle klasgenootjes van zijn drie kinderen – naast Henry zijn er Delilah (7) en Arthur (9) – deze “absurde” spelcomputer. “Grote merken als Nintendo en McDonalds proberen actief ‘vriendjes’ te worden met kinderen, waarmee ze bewust een wig drijven binnen gezinnen.”

Na een klein half uur bepaalt Hodgkinson, gezeten naast een houten flipperkast, dat het genoeg is. “Ik weet het, het ziet er wat pathetisch uit,” zegt hij, waarna hij een juten zak met houten blokken tevoorschijn haalt. Maar het werkt. De kleine Henry bouwt een Koolhaas terwijl paps vertelt over The Idle Parent. Why less means more when raising kids (in het Nederlands verschenen als Luie ouders), zijn net verschenen boek over een vrije opvoeding. Voortbouwend op het mantra ‘Leave them (the children) alone’ van de schrijver D.H. Lawrence pleit hij ervoor dat ouders hun kroost niet de hele dag in de gaten houden of laten houden. Dit biedt zowel de kinderen als hun ouders meer vrijheid, grotere zelfstandigheid en minder spanning. En passant keert Hodgkinson zich tegen pretparken, plastic speelgoed, kindertelevisie en andere modieuze fenomenen die in zijn ogen zorgen voor een commercialisering van de opvoeding. Hij verafschuwt de veramerikanisering van de cultuur, waarbij spontaniteit weggeorganiseerd is en bezorgde ouders vrijheid hebben opgeofferd voor veiligheid, hun kinderen soms zelfs met camera’s in de gaten houdend.

Hard werken is een ander puriteins verschijnsel van de Brave New World waar Hodgkinson allergisch voor is. Hij staat in Engeland bekend als ervaringsdeskundige op het gebied van luiheid. Al zestien jaar maakt hij het cultmagazine The Idler, een podium voor beschouwingen over een onthaast bestaan. Roem verwierf hij met het boek How to be Idle, dat in twintig talen verscheen. Hierin belicht hij het genot van ‘onproductieve’ bezigheden als slapen, wandelen, roken, theedrinken en ouwehoeren met vrienden. Vooral in de Verenigde Staten – het land van 415 miljoen ongebruikte vakantiedagen per jaar – deed dit boek het goed. In het daaropvolgende How to be free besprak hij praktische manieren om aan de periferie van de consumptiemaatschappij te overleven. Tussendoor publiceerde hij The Book of Idle Pleasures (een bloemlezing van kleine geneugten, zoals een brief schrijven, vlinders vangen en atlassen bekijken) en voerde hij absint in, De Groene Fee die eind negentiende eeuw zo populair was bij de bohemiens. Verder schrijft hij als freelancer voor The Guardian, The Ecologist, The Independent en heeft hij een opvoedkundige rubriek in de behoudende Daily Telegraph.

Dat hij van de pen leeft en gezag wantrouwt, is niet verwonderlijk gezien zijn achtergrond. “Mijn beide ouders zijn kritische journalisten en waren aangestoken door de counterculture van de jaren zeventig. Zo deed mijn vader veel aan Oosterse meditatie en mijn moeder was actief binnen het feminisme.” De jonge Tom raakte in de ban van de punkmuziek, waar sporen van aan te treffen zijn in zijn werk, zoals teksten van The Clash over onderwijs. Hij ging naar de Royal College of St. Peter in Westminster, de particuliere school waar ook John Locke, Christopher Wren en Jeremy Bentham op hebben gezeten. Hij spreekt nog steeds lovend over zijn eigengereide leraar Engels, die de lesstof negeerde en zijn leerlingen liefde voor het vak bijbracht. Soms organiseerde hij zelfs wijnproefsessies bij hem thuis, iets dat tegenwoordig ondenkbaar is. Daarna ging Hodgkinson Engels studeren op Jesus College, Cambridge, een bewuste keuze omdat daar ruim aandacht werd geschonken aan de Franse poststructuralisten. “Ik ben dol op Barthes’ Mythologieën omdat het populaire cultuur acceptabel maakte. Foucault, met zijn historische inzichten, vind ik briljant en Baudrillard schreef over hoe het ‘netwerk’ en ‘het scherm’ zouden gaan heersen.”

Daarna begon het ware leven.

Dat viel niet mee, aanvankelijk.

Freelance journalistiek was een logische stap maar een gebrek aan discipline, en werklust, brak de dagdromer op. “Daarna ging ik in een skateboardwinkel werken, iets waar ik veel plezier aan heb beleefd, vooral aan het bestuderen van de klanten” herinnert hij zich. Zijn tweede betrekking, researcher bij The Sunday Mirror, leidde na twee deprimerende jaren tot ontslag. Het leven als uitkeringsgerechtigde – de term ‘werkzoekende’ is in zijn geval niet van toepassing – gaf hem de gelegenheid om te luieren, te lezen en laat op te staan. De Idler-essays van Samuel Johnson in The Universal Chronicle openden zijn ogen én stelden hem gerust. “Ik realiseerde me toen dat ik geen nietsnut was, maar dat luiheid deel kan uitmaken van een creatief proces.” Samen met een vriend besloot hij een periodiek te maken met de naam The Idler. Ze drukten de eerste vijf uitgaven zelf, waarna de marketingafdeling van The Guardian het tijdelijk onder haar hoede nam. Naderhand volgde een trektocht langs verschillende uitgeverijen en momenteel is het terug in eigen beheer. “Een commercieel succes is het nooit geworden, maar het heeft veel plezier opgeleverd en het idee voor The Idle Parent is er geboren.”

Met zijn Idler staat Hodgkinson in een lange traditie van bewegingen tegen de dominante, materialistische cultuur. De slechteriken in Hodgkinson’s levensvisie zijn de Puriteinen, de Calvinisten, de Utilitaristen, de Victorianen, de neoliberalen, iedere stroming waar noest en eenzaam werken centraal staat. “Werk is niet alleen bedoeld om te komen tot materieel geluk maar ook om het volk bezig te houden. Bertrand Russell heeft dat mooi omschreven in zijn essay In Praise of Idleness.” Met deze filosoof, wiens bloed blauw en hart rood was, is één van Hodgkinson’s inspiratiebronnen genoemd. Hij koestert bewondering voor een ieder die zich verzet tegen het heersende arbeidsethos en de bijbehorende stroomlijnen van het dagelijkse leven. De negentiende-eeuwse humorist en schrijver Jerome K. Jerome, die debuteerde met het boek Idle Thoughts of an Idle Fellow, duikt regelmatig op in zijn werk, evenals Oscar Wilde die in The Soul of Man Under Socialism de vergeefse hoop uitsprak dat machines mensen zouden bevrijden van geestdodend werk. Echter, machines zouden juist bijdragen tot het hachelijke bestaan van de moderne mens. Hodgkinson vertelt dat hij zichzelf beschouwt als een neo-Luddite, een nakomeling van de sociale beweging van ambachtslieden in de textiel die negentiende eeuw met gevaar voor eigen leven tegen de technologische vooruitgang streden.

Speciale waardering heeft Hodgkinson voor Willam Morris, de socialistische architect, ontwerper en schrijver die deel uitmaakte van de arts & craftsbeweging, welke onder meer tot doel had de middeleeuwse ambachtelijkheid in ere te herstellen. Deze terugkeer naar Middeleeuwse gebruiken is een rode lijn in Hodgkinson’s werk. Zo bewondert hij naast de traditionele nijverheid ook de gemeenschapszin en het autarkische bestaan op het ritme van de natuur. Dat laatste zal het onderwerp van zijn volgende boek, Brave Old World, worden. “Daarin beschrijf ik per maand wat er op een boerderij gedaan moet worden, wanneer je welk dier slacht bijvoorbeeld, en wanneer je gras maait en hout sprokkelt.” Het basismateriaal van dit boek zijn Hodgkinson’s eigen dagboeknotities. Een paar jaar geleden kreeg hij last van de autoriteiten omdat hij een varken had geslacht. “Ik had daarvan verslag gedaan in The Sunday Times en een paar dagen later stond er een gemeenteambtenaar voor de deur en ontving ik een brief van de Voedsel- en Warenautoriteit. Mij werd verteld dat het op zich niet illegaal is maar dat ik het varken zelf had moeten opeten en niet ter consumptie aan mijn vrouw en kinderen had mogen geven. Het was lachwekkend. Het dier is bovendien netjes gedood en niet op wrede wijze gestorven na een miserabel leven, zoals de meeste andere varkens meemaken.”

De affaire bewees tevens dat, hoe afgelegen je ook woont, de dienaren van de staat je altijd weten te vinden. In 2002 had Hodgkinson het leven in het Londense Notting Hill (“Er wonen daar ook minder bedeelden, geloof me”) verruild voor een leven op het platteland langs de kliffen van Noord-Devon, een uurtje of vier ten westen van de hoofdstad. “Tijdens bezoek aan vrienden hier zag ik in een plaatselijke krant deze vakantieboerderij te huur aangeboden staan. Mijn vrouw Victoria en ik hadden al langer zin om weg te gaan uit de stad en dit was een mooie kans. De kinderen vinden het fantastisch.” Beetje bij beetje veranderde de vakantieboerderij in een kinderboerderij, met kippen, geiten, een hond, twee katten, een pony en een bijenkorf. In één van de bomen heeft hij met zijn kinderen een hut gebouwd. “Er zijn nog geen ambtenaren van bouw- en woningtoezicht langs geweest, maar hun komst zou me niet verbazen,” grijnst Hodgkinson tijdens de lunch, onder meer bestaande uit zelfgebakken brood. In de hoek van de woonkeuken staat een veelgebruikte piano en de muren zijn behangen met kindertekeningen. Overdreven veel opgeruimd wordt er niet, conform één van de punten in het Hodgkinson’s opvoedkundige manifest waarin staat dat een rommelige gezelligheid beter is dan een nette kilheid. Het leukste vindt hij om, samen met Arthur, van afgedankt materiaal speelgoed te maken. “Dan voelen we ons net Gilbert & George.”

Zijn kinderen zijn, zo benadrukt hij, volwaardige deelnemers in het huishouden, iets waar de gretig geciteerde oer-pedagogen John Locke en Jean-Jacques Rousseau al voor pleitten. Zo gaat het eerste hoofdstuk van The Idle Parent over de terugkeer van kinderarbeid. “Daarbij pleit ik er natuurlijk niet voor dat kinderen moeten werken in mijnschachten of naaiateliers, maar dat ze spelenderwijs meehelpen met afwassen, stofzuigen of houthakken. Waarom zouden ouders lunchpakketten klaarmaken? Dat kunnen kinderen al heel vroeg zelf. Een paar jaar terug lagen mijn vrouw en ik uit te slapen toen opeens de slaapkamerdeur openging en onze oudste, toen zes, met twee mokken thee binnen kwam lopen. Prachtig. Op deze manier worden kinderen sterk en onafhankelijk.” Hodgkinson ziet het liefst dat zijn kinderen zoveel mogelijk buiten spelen, met elkaar of met andere kinderen, buiten het zicht van de ouders. “Ze moeten zelf dingen ontdekken. Laat ze maar door schade en schande wijs worden. Alles is beter dan achter een beeldscherm hangen.” Zijn ideaalbeeld is zichtbaar op De Kinderspelen van Pieter Bruegel, waarin kinderen massaal op straat spelen. Echter, in de meeste woonwijken zijn de stoepen, pleinen en straten uitgestorven. Op flatgebouwen hangen bordjes met de ontmoedigende tekst ‘No Ball Games’, bezorgde ouders houden hun kinderen binnen en een minister heeft zelfs voorgesteld om buitenspelen zonder ouderlijk toezicht strafbaar te stellen.

Waar komt de overbezorgdheid vandaan, informeer ik, nadat de gastheer voor de derde keer de kippen naar buiten heeft gestuurd. “Er zijn meerdere oorzaken. Ten eerste geloven mensen niet meer in hun lotsbestemming, maar des te meer in maakbaarheid. Kinderen worden van jongsafaan gevormd en door hun ambitieuze ouders als kindsterren gezien. Ze krijgen geen kans om zelf dingen te ontdekken. Ze worden naar school gereden en via naschoolse activiteiten weer naar huis. In New York zijn steeds meer ouders die hun kind Mandarijn leren, om ze klaar te stomen voor een druk leven vol saai werk. Een ander teken des tijds is het streven naar perfectie. Het lijkt er soms op dat ouders in een wedstrijd verwikkeld zijn wie de beste is, ten koste van het kind zelf. Verder vertrouwen mensen elkaar niet meer, waardoor het minder voorkomt dat ze op elkanders kinderen passen of elders laten overnachten. Ik vind het juist praktisch en goed om kinderen samen met vrienden en buurtgenoten op te voeden, als in een commune inderdaad. De kinderen vinden het leuk en voor de ouders betekent het meer tijd om te lummelen.”

De publicatie van The Idle Parent, met op de omslag een politiek-incorrecte tekening met onder meer een pijprokende huisvader, past in een groeiend aantal kritische boeken over de opvoedkundige cultuur in Engeland. Eerst was daar Paranoid Parenting waarin de socioloog Frank Furedi schrijft over bange ouders die hun kinderen uit angst voor gevaar – ‘stranger danger’ – op overdreven wijze beschermen. Vervolgens verscheen het populaire Dangerous Book for Boys, een handboek van de gebroeders Con en Hal Iggulden voor een ouderwetse, avontuurlijke en risicovolle jeugd. Tenslotte kwam Boris Johnson met The Perils of the Pushy Parents: A Cautionary Tale. Met al deze boeken lijkt er een offensief gaande te zijn tegen de Engelse nakomelingen van The Great Obsessive New York Parent. Op de achtergrond speelt, zeker bij Hodgkinson, nog iets anders mee: een afkeer van de interveniërende overheid, tegen politici die burgers beschouwen als kleine, afhankelijke kinderen. “Onze huidige regering,” zegt hij, “brengt het slechtste van alle werelden bij elkaar. Men is geheel op de hand van het bedrijfsleven en bemoeit zich bovendien op een moralistische wijze met het leven van de burgers.”

Het is Hodgkinson’s ambitie om, zijnde een pragmatische anarchist, zo min mogelijk met de staat te maken te hebben. Zo wantrouwt hij het staatsonderwijs: “Overheden hebben altijd de neiging om scholen te benutten als proeftuin voor nieuwe theorieën. Leerlingen maken lange dagen, waarin ze voortdurend worden getest en actief worden voorbereid op de arbeidsmarkt. In plaats van het stimuleren van de verbeelding, krijgen ze nu media studies, powerpoint-presentaties en marketing, allemaal bedoeld om zoveel mogelijk Club Penguins te verkopen.” Hij heeft plannen om met gelijkgestemde ouders een vrije school beginnen in het plaatselijke buurtcentrum, maar beseft dat er nog een lange weg te gaan is. Vooralsnog leert hij samen met zijn oudste zoon Latijn, wat gepaard gaat met uitwijdingen over het dagelijkse leven in Pompeii en knappe Romeinse slavinnen. Zijn bereidheid tot actie werd vergroot toen hij het rapport van zijn dochter binnenkreeg. Waar een kind vroeger werd beoordeeld op hoe het schrijft, rekent en met klasgenoten omgaat, bleek nu te worden getest op 120 wollige stellingen. Eén ervan luidde, ik citeer, of een zesjarige het gebruik van gebruiksmogelijkheden van informatie- en communicatietechnologie en programmeerbaar speelgoed voor zijn of haar leerproces kan identificeren”. Hodgkinson moet erom lachen, als een hobbyboer met kiespijn. “Maar wat nu als de ouders besloten hebben om hun kinderen zo min mogelijk bloot te stellen aan dat soort spul?”

 

 

About these ads

1 reactie so far
Een reactie plaatsen

[...] 11 mei 2009 Patrick Ijzendoorn sprak voor De Groene Amsterdammer met pragmatisch anarchist Tom Hodgkinson naar aanleiding van zijn net vertaalde boek “Luie ouders heben gelijk“. Daarin pleit [...]

Pingback door Luie ouders hebben gelijk « DATAPANIK




Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s



Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

%d bloggers like this: