London Calling: notities uit een gekkenhuis


Thatcher, olijven en de kat Sandro
juli 3, 2009, 8:52 pm
Ingedeeld onder: De Groene Amsterdammer

Op een reünie van zijn middelbare school in de Noordengelse arbeidersstad Stoke-on-Trent werd de schrijver Stephen Foster getroffen door een terloopse opmerking. Hij stond op het punt een fles deugdelijke witte wijn te ontkurken toen een oude klasgenoot hem een ‘middle-class gayer’ noemde. Het homoaspect liet hem koud, maar dat middle-class, dát stak. Foster beschouwt zichzelf als working-class, maar hij heeft de schijn tegen. Immers, hij bestuurt een Volvo, winkelt bij Waitrose, schrijft brieven voor Amnesty en heeft een kat die naar de naam Sandro luistert, genoemd naar Botticelli. Sjaggies rookt hij nog wel, maar hij vult ze met sigarettentabak. Zijn situatie is vergelijkbaar met die van Kate Winslet die zichzelf onlangs in een vlaag van omgekeerd snobisme omschreef als working-class. In het autobiografische From Working-class Hero to Absolute Disgrace heeft Foster zijn odyssee door de klassenmaatschappij op komische wijze beschreven. En passant geeft hij een beeld van de jaren tachtig. Immers, Foster’s traject naar de middenklasse begon in 1980 met een enkele reis Londen. Foster’s bagage bestond uit een paar kleren, een exemplaar van het popblad NME en tabak. Hij ervoer dat als verraad omdat al snel duidelijk was geworden dat de steden in het noorden zouden gaan leiden onder de revolutie van Margaret Thatcher terwijl het zuiden dankzij de opkomende dienstverlening een florissante tijd tegemoet ging. Nadat de arbeiders de jaren zeventig hadden vormgegeven, daar zouden de jaren tachtig het domein zijn van de yuppen en zelfstandige ondernemers, waarbij geld de plaats van class zou innemen. Geïnspireerd door zijn Catalaanse stiefvader, een ober, ambieerde Foster een culinaire carrière. Verder dan een levendig dienstverband bij de Savoy, waarbij hij Clint Eastwood een keer ontbijt op bed mocht brengen, zou de vervulling van deze ambitie niet geraken. Na een maandenlange reis door Europa, een verkorte versie van de Grand Victorian Tour, vond hij een kantoorbaan, maar na twee weken besefte Foster dat papierschuiven niets voor hem is. Hij ging werken als klusjesman, taxichauffeur en, dankzij de obsessie met een eigen huis, in de bouw. In vergelijking met nu was het indertijd gemakkelijk om zonder diploma’s aan baantjes te komen. Een andere waarborg voor een zekere mate van anarchie was het gebrek aan veiligheidsvoorschriften, verzekeringspapieren en soortgelijke bureaucratische hindernissen. Foster moest als punkliefhebber uit Noord-Engeland weinig hebben van tante Margaret, hoewel hij op een bepaald moment toegeeft dat het thatcherisme voor ambitieuze vrijbuiters als hemzelf een zegen was. Tussen de 12 steden en 13 ongelukken schuift het Panthéon van de jaren tachtig voorbij, van onbevredigbare feministes tot demonstrerende mijnwerkers, van de White Van Men (Alfa-mannen in witte bestelbusjes) tot de Young Fogey (de Britse variant van een 30-jarige Hans Wiegel met pijp). De opmerkelijke samenstelling van zijn vriendenkring droeg bij tot zijn inwendige klassenstrijd. In de Savoy raakte hij bevriend met de ex-kostschoolganger The Blond, die tot Foster’s verbazing met een concertkaartje voor The Clash kwam aanzetten. Hij had deze ‘Hooray Henry’ ingeschat als ‘Duran Duran’. Verderop ontmoette hij een zekere Toby, wiens naam reeds een intellectuele achtergrond verraadt (“There are no Tobys in Stoke”). Inderdaad, de vloer in de woning van Toby’s ouders lag bezaait met Guardians. Deze vriendschap leverde hem een dagje Eton op, waar hij stiekem in het zwembad duikt dat bekend staat om de ijzige temperatuur. Eén van de hoogtepunten van zijn levensgeschiedenis was Sally, een avantgardistische ontwerpster op wie hij dermate verliefd was dat hij wortelcake ging eten en films van Eric Rohmer probeerde uit te zitten. Seks met haar was “a triumph of form over content: mechanical and brilliant at the same time, it reminded me of a scene from this other key text film she’d taken me to see, Fritz Lang’s Metropolis…” Illustratief voor zijn ontworteling is de scène wanneer Foster voor zijn vader kookt, die voor hem is gaan werken. De ouwe at alles op, behalve de olijven. Uiteindelijk kreeg hij een vaste verhouding met Marion, die hij had ontmoet op een Grieks strand waar ze een roman van Graham Greene lag te lezen, terwijl haar vriendin verdiept was in een Jackie Collins. Dat hij zich aangetrokken voelt tot intellectuele vrouwen – Marion bleek uit een academische familie te komen – was geen toeval. Tabloids las hij nooit en hij ondernam in het begin verwoede pogingen om de lange zinnen van Times-columnist Bernard Levin te ontcijferen. Tijdens een vrijgezellenfeest in Amsterdam smulde hij van de dagboeken van de decadent-conservatieve politicus Alan Clark en op de bouwplaats zette hij de radio, tot ergernis van collega’s, op een actualiteitenzender. Foster’s verhaal doet denken aan de cultuur van zelfverheffing in de vooroorlogse arbeidersklasse. Echter, nadat hij met Marion de criminele kanswijk Tulse Hill had verlaten ten faveure van Norwich, vond hij zichzelf terug temidden van de Chattering Classes, de creatieve niche binnen de middenklasse. In het Angelsaksische equivalent van Noordwijk leiden ze een burgerlijk bestaan. Foster volgt colleges in de ‘kritiese’ theorie, waar de zinnen nog veel langer zijn dan bij Levin, en gaat zelf schrijven. Dagelijks ontmoet hij progressieve ‘do-gooders’ – bij de supermarkt, op de universiteit of aan de voordeur met een collectebus – en geen etentje verloopt zonder gezever over wat uit gezondheidskundige danwel ethische overwegingen kan worden genuttigd. De arme Foster is in een spagaat terechtgekomen, waarbij hij in zijn geboorteplaats als een omhooggevallen poëzieliefhebber wordt beschouwd, terwijl hij zich in Norwich zijn best doet om zijn afkomst niet te verloochenen. Zo pijnigt hij zichelf, en zijn zoontje, door voetbalwedstrijden van Stoke City te bezoeken. Om zijn arbeideristische geloofsbrieven kracht bij te zetten belooft Foster een Mercedes Estate aan te schaffen, een voertuig waar zowel een taxichauffeur als een hertog in kan rondrijden, maar zeker geen lid van de middenklasse. Het valt nog niet mee, de klassenmaatschappij, maar het levert fraaie literatuur op. Patrick van IJzendoorn From Working-Class Hero to Absolute Disgrace. An 80s Memoir – Stephen Foster Short Books, 2009. 220 blz. 10.99 pond.



Momenteel geen reacties tot nu toe
Plaats een reactie



Plaats een reactie
Automatische regel en alinea afbreking, email adressen nooit getoond, toegestane HTML: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <pre> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>