Notities uit een gekkenhuis


‘Ik weiger te worden geïntimideerd door lelijkheid’
2 december 2009, 12:39
Gearchiveerd onder: Filosofie Magazine

De bekendmaking van de nominaties voor de Turner-prijs is elke jaar weer een bron van grote ergernis in huize Scruton. Hoe bestaat het, denkt de Engelse filosoof, dat de naam van Joseph Mallord William Turner, ‘s lands grootste schilder, in verband wordt gebracht met copulerende poppen, een groep stilstaande kunstenaars in politie-uniformen of een kunstwerk dat de naam ‘Arsewoman in Wonderland’ draagt. Voor hem is het een bewijs dat de navelstreng tussen kunst en schoonheid nagenoeg doorgesneden. Als u in de jury van de Turner-prijs zou zitten, vraag ik hem, op welke uiting van hedendaagse kunst zou uw keuze vallen. “Op het gebied van hedendaagse kunst heb ik geen lievelingswerk. Ik zou een schilderij uitpikken van David Inshaw.” De keuze van Roger Vernon Scruton is geen verrassing. Inshaw, mede-oprichter van de Brotherhood van Ruralists, maakt schilderijen van cricketwedstrijden in een heuvelachtig landschap en dames die badminton spelen op een landgoed. Het past precies bij het beeld dat de conservatieve filosoof bij mensen oproept. Wie bekend is met zijn oeuvre –waar werken als The Aesthetic Understanding, The Classical Vernacular: architectural principles in an age of nihilism en Death-Devoted Heart: Sex and the Sacred in Wagner’s Tristan und Isolde deel van uitmaken – krijgt een redelijke indruk van wat Scruton onder schoonheid verstaat. Zijn boerderij in Wiltshire bijvoorbeeld, de kostuums van de vossenjagers, donkere nachten op het platteland, de gebouwen van Jesus College waar hij studeerde, door heggen omheinde landweggetjes en de schilderijen van Sandro Boticelli, wiens Portrait of a Young Woman de omslag siert van zijn nieuwe boek Beauty, een meditatie over de ervaring van schoonheid. Hij vertelt dat zijn leven is veranderd door de poëzie van T.S. Eliot – die ooit doceerde op de Wycombe Royal Grammar school waar Scruton onderwijs genoot – en de opera’s van Richard Wagner. “Het is schoonheid die je goed doet kijken en richting geeft aan emotie, verlangen en aan het denken,” aldus Scruton, die bij het Nederlandse publiek onder meer faam maakte door zijn inteview met Wim Kayzer in de serie Van de Schoonheid en de Troost, waar hij sigaren rokend en pianospelend blijk gaf van een diepe melancholie. De vraag waarom hij wordt gegrepen door schoonheid, serveert hij af als ‘onzinnig’. Het is net zoiets als: ‘Waarom geloof je wat waar is?’ of ‘Waarom verlang je naar iets dat goed is?’ Schoonheid is iets dat onze aandacht krijgt, zonder dat het belang hoeft te hebben, en ons de indruk schenkt dat er iets belangrijkers is dan onszelf. Er zit geen verschil tussen schoonheid te begrijpen en er door te worden geraakt.” In de geschiedenis van de esthetiek, van Plato tot Kant, is altijd het ‘bewegende’ aspect van het schone herkend en bevestigd. Over de vraag hoe hij die kwaliteit zou willen omschrijven, hoeft Scruton niet lang na te denken: “Jij bent niet belangrijk; dit is!” Een bescheiden houding van het individu met betrekking tot het schone is de kern van Beauty, dat niet zozeer handelt over wat hij mooi vindt alswel over de rol van schoonheid in de wereld. De 65-jarige filosoof gaat in op de betekenis van het begrip ‘schoonheid’ en welke plaats het hoort te heben in ons bestaan. Het verontachtzamen van schoonheid heeft in de visie van Scruton maatschappelijke gevolgen omdat schoonheid niet een puur-esthetische, maar ook een existentiële waarde heeft. Schoonheid gaat samen met waardigheid, beleefdheid en decorum. Het is volgens Scruton een manier van zeggen dat we geen lid van een massa zijn, maar van een gemeenschap. Deze laatste opmerking brengt het gesprek op Scruton’s cultuurkritiek. Als vanouds fulmineert hij tegen de hedendaagse cultuur in het algemeen en beeldende kunst in het bijzonder. De rossige filosoof hekelt het individualistische expressionisme, zowel in de schone kunsten als de maatschappelijke vorm ervan, welke zich uit in narcisme en egoïsme. Ik leg hem voor dat mensen wellicht teveel met zichzelf bezig om een stapje terug te doen, om zichzelf op te offeren en schoonheid te waarderen? Hij twijfelt. “Ik zou niet zozeer zeggen zelfgeobsedeerd als wel verslaafd aan plezier. Schoonheid vraagt normaal gesproken iets van je – het vraagt je om serieus te zijn over iets anders dan jezelf, en wanneer het plezier belooft, dan is het een plezier dat ontstaat dankzij nadenken en begrip. Mensen hebben genoeg tijd, maar missen vaak ze het geduld. Dat komt deels door dat het esthetische deel van hun leven in beslag wordt genomen door afleidingen, zaken als televisie en popmuziek. Dat zijn bezigheden waarmee ze een leegte mee proberen op te vullen, waarmee ze tegelijkertijd een nieuw vacuüm scheppen.” Maar er speelt volgens Scruton nog wat anders. Een uit Amerika overgewaaid idee is dat mensen voorzichtig moeten zijn om hun oordeel uit te spreken. De schrijver/psychiater Theodore Dalrymple heeft hierover geschreven op zijn eigen terrein. Als psychiater in een gevangenis merkte Dalrymple dat hij de enige was die een oordeel durfde uit te spreken over de mensen die hij onder ogen kreeg. Geheel conform de postmoderne mode hadden termen als goed en kwaad of mooi en lelijk plaatsgemaakt voor relativistisch gebabbel welke erop neerkwam dat alles uiteindelijk even goed en mooi is, dat er over zulke zaken niet te twisten valt. Scruton ziet dezelfde trend waar het aankomt op het beoordelen van schoonheid. “Het is meer zo dat mensen ertoe streven om zonder oordeel te leven. In een cultuur waar niet-oordelen de norm is, worden grote kunstwerken doorgaans gemarginaliseerd en hun boodschappen naar het discutabele niveau getrokken van alle andere afleidingen.” Naar de beleving van Scruton is er dus wel degelijk sprake van goede smaak. Cruciaal is volgens hem het vermogen om objecten van esthetisch belang van elkaar te kunnen onderscheiden, op een manier die tot de juiste keuze leidt. “Dat juiste object is waar je plezier aan beleeft en welke de morele gevoelens van degene die het aanschouwt vergroot en vervult. Je kunt dit onder meer ontwikkelen door er kritisch naar te kijken.” In zijn boek schrijft Scruton hoe iemand een vriend hem heeft geleerd om de muziek van Johannes Brahms op juiste waarde te schatten. Kan iemand, informeer ik voorzichtig, datzelfde bij u bereiken met de muziek van The Rolling Stones of Radiohead? “Ja, als er iets te waarderen valt, dan kan het worden aangeleerd. Er valt zeker iets te waarderen in de Rolling Stones ‘I used to love you, but it’s all over now’. Ik ben niet zo zeker van Radiohead.” Een goed oog voor schoonheid, zo stelt Scruton, kan het beste worden ontwikkeld door er niet over na te denken. Die onbewustheid komt sterk naar voren wanneer hij schrijft over alledaagse schoonheid, het hoogtepunt in het boek. . Schoonheid is immers veel meer dan een mooi gedicht of muziekstuk. Een mooie straat in een oud dorpje is doorgaans niet aangelegd met het doel een schoonheidsprijs te winnen of om eeuwen later op de lijst van monumentenzorg te komen. Schoonheid was een onbedoelde bijeenkomstigheid. “Schoonheid is vaak het bijproduct van iets onschuldigs doen met pure hartstocht,” stelt Scruton, ”Dat is namelijk waar de menselijke schoonheid uit voortkomt. Als je teveel je best doet om iets mooi te maken, dan komt dat doordat je niet de puurheid van het hart bezit die ervoor nodig is. Je kunt dit zien in het verschil tussen een knappe vrouw met natuurlijke gestes en een gezicht dat waar de lach niet gemaskeerd is, en de opgedirkte del die, ondanks haar perfecte lichaam en rondingen, nooit als een schoonheid kan worden beschouwd. Zo’n licht hellend straatje, geflankeerd met achter klimop verborgen huizen, waar de melkman elke ochtend rinkelend over de klinkers rijdt is nu een ideaal van veel mensen, met name stedelingen. Maar was dat een halve eeuw geleden ook het geval? Verandert het idee van wat mooi is in de loop der jaren? In de jaren zestig en zeventig werden in Londen Covent Garden en St Pancras bijna afgebroken, net als het Orsay-station in Parijs. De Hallen waren niet zo gelukkig en moesten plaatsmaken voor Le Centre Pompidou. In Amsterdam wilde de gemeente de grachten dempen. Vandaag de dag zou niemand deze plannen willen opperen. In Engeland wordt de conservatief ingestelde dichter John Betjeman, redder van genoemde historische gebouwen, als een held beschouwd. Scruton reageert met de opmerking dat smaak inderdaad verandert, zich ontwikkelt en, vaker dan hem lief is, verslechtert. “Je hebt gelijk dat Betjeman nu een held is – in bepaalde kringen althans. De jaren zestig en zeventig waren een tijd waarin mensen het slachtoffer worden van een soort anti-esthetica, welke weer onderdeel uitmaakte van de grote, stomvervelende socialistische revolutie. Deze was erop gericht om alle menselijke uitmuntendheid en ridderlijkheid te vervangen door een gestandaardiseerd product, geproduceerd in haar eigen belang door al te welwillende verzorgingsstaat. We zijn hier nog niet volledig van hersteld.” Hoe komt het dat de openbare ruimten in Rome, Parijs en Amsterdam zoveel beter te lijken worden onderhouden dan Engelse of Amerikaanse steden? “Goede vraag,” zegt Scruton, “In Engeland is de openbare ruimte opgeofferd aan hebzucht en socialistische planning in de jaren zestig. In de Verenigde Staten bestaat de centrifugale druk van suburbanisering. Gecombineerd met het nietsontziende optimisme van het Amerikaanse volk heeft dat de steden geamputeerd zijn. Rome is, wanneer je goed kijkt, bedekt met graffiti en lijkt niet meer op de idyllische provinciestad waar ik als jongen heb gewoond. Parijs is groots en beschermd als symbool van La Glorie Francaise. Amsterdam wordt verzorgd door een klasse van welwillende bourgeois – dezelfde klasse die de Walletjes heeft laten ontstaan, misschien wel het lelijke ding in Europa.” Scruton meent dat men tegenwoordig onverschillig staat tegenover schoonheid. In de schone kunsten heeft hij geen fiducie meer en ook buiten de musea staat schoonheid wat hem betreft te laag op de prioriteitenlijst. Een paar maanden geleden verdedigde hij samen met de conservatieve historicus David Starkey de stelling ‘Britain has become indifferent to beauty’ tijdens een debat bij de Royal Geographical Society. Aan de andere kant van de tafel zat de Australische feministe Germaine Greer en een kunstcriticus van de progressieve zondagskrant The Observer. De interesse – 700 betalende bezoekers – gaf al aan dat ‘schoonheid’ een populair thema is. Scruton beweerde niet dat het de hedendaagse mens ontbeert aan smaak, maar dat er te weinig respect voor bestaat. Als advocaat van de duivel werp ik tegen dat hele volksstammen lid zijn van de National Trust (of Monumentenzorg), dat de pittoreske Cotswolds worden gezien als een hemel op aarde, dat Constable, Turner en Van Gogh gelden als favoriete schilders. Sterker, de meeste mensen steunen Prins Charles in zijn strijd tegen moderne architectuur. Is het niet beter om de schuld voor de vergelijking van het land te leggen bij politici, projectontwikkelaars en architecten, voor wie een utilitaristische benadering voorop staat? “Ik ben er heilig van overtuigd dat smaak en de liefde voor traditionele schoonheid fundamenteel zijn voor een volwaardig geleefd leven. Dat verandert echter niets aan het feit dat een ‘vol geleefd leven’ niet voor iedereen is weggelegd. Mensen, zoals je zegt, uiten hun honger naar schoonheid in grote getallen. En je hebt gelijk dat politici, architecten en anderen die erop uit zijn om geld te verdienen met het verpesten van dingen meer belang hechten aan nut dan aan schoonheid.” Tot die anderen behoort ook de regisseur van een Berlijnse voorstelling van Mozart’s opera Die Entführung aus dem Serail, waarbij de enscenering goed dienst had gedaan in Yab Yum. Scruton, een van de ongelukkige aanwezigen, moppert er uitgebreid over in zijn boek. Maar tegelijkertijd, werp ik tegen, dirigeert Benard Haitink de prachtigste Mahlers in het brutalistische beton van de Londense Barbican. Er is dus toch wel schoonheid over? “Natuurlijk is die er. Maar dat zou iemand er niet van moeten weerhouden om te protesteren tegen de groeiende gewoonte om zaken te ontheiligen. Ik weiger te worden geïntimideerd door lelijkheid of te worden verteld dat de Keizer een prachtige collectie kleren heeft.” Ook de alom geprezen architectuur van Norman Foster, bekend van de indrukwekkende Milau-brug in Zuid-Frankrijk en de augurkvormige Swiss Re-toren (‘the Erotic Gherkin’) in Londen, vindt bij hem geen genade. “Dat zijn grootste inbreuken op het landschap, zowel het natuurlijke als het stedelijke, begaan door één van de grootste opgeblazen ego’s van deze tijd, en dat wil wat zeggen.” Scruton toont zich een stuk conservatiever dan zijn collega Alain de Botton die in zijn boek The Architecture of Happiness een voorkeur uit voor een combinatie tussen het oude en het nieuwe. In principe heeft Scruton geen bezwaar tegen dit uitgangspunt. ”Er moet echter wel een balans zijn en dingen moeten met de tijd meegaan. Maar het is noodzakelijk dat de nieuwe stijl in harmonie is met de omgeving en dat het openbare gezicht van de stad dient te worden gerespecteerd. Ik heb hierover volop geschreven The Aesthetics of Architecture.” Waar schoonheid bij De Botton kan bijdragen tot geluk, daar biedt schoonheid in Scruton’s denkwereld een gevoel van thuiskomst, in harmonie zijn met de wereld om je heen. Martin Heidegger zou het waarschijnlijk ‘indewereldzijn’ noemen. Kan dit, luidt mijn slotvraag, worden beschouwd als de rode lijn in Beauty, en misschien ook in de meeste van uw andere boeken? Is ‘homecoming’ de reden dat mensen een mooi stukje platteland verkiezen boven een achterbuurt in een grote stad, baksteen in plaats van beton? Scruton beaamt dat dit inderdaad de rode lijn is in zijn redenering, maar voegt er, on-Engels, een metafysische dimensie aan toe. Volgens hem bestaat er een sterk verlangen naar een wereld voorbij het empirische, op de wijze die Plato en St Augustinius reeds hebben beschreven. “Alle menselijke wezens koesteren een verlangen naar een thuis in deze wereld, waar ze zich beschermd voelen en comfortabel zijn. Maar ze verlangen ook naar een eeuwig thuis, wat op een bepaalde manier compensatie biedt voor wat ze niet bereikt hebben, waar al het lijden en de teleurstellingen waardevol wonen. Zij ontwerpen een eeuwig huis als hun ware bestemming en bouwen dit tijdens hun leven in deze wereld.” Patrick van IJzendoorn


Geef een reactie so far
Een reactie plaatsen



Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s



Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

%d bloggers like this: