Gearchiveerd onder: De Groene Amsterdammer
In George Bernard Shaw’s toneelstuk Pygmalion merkt professor Henry Higgins op dat hij elk dialect tot op zes mijl kan plaatsen. Binnen Londen werkt zijn radar nog nauwkeuriger: twee mijl en waar Cockney wordt gesproken – bijvoorbeeld door zijn ambitieuze leerlinge, het bloemenmeisje Eliza Doolittle – zelfs twee straten. Onlangs is de ‘dialectoloog’ en foneticus overleden die werd gezien als het levensechte neefje van Shaw’s Cockney-kenner. Stanley Ellis kon meteen horen of iemand uit West-Cornwall, Zuid-Yorkshire of Noord-Suffolk kwam. Sterker, wanneer het iemand betrof die er geboren en getogen is, wist hij ook nog de exacte streek of stadsdeel te vermelden.
Dat bleek eind jaren zeventig toen Scotland Yard jacht maakte op de Yorkshire Ripper. Op een dag kwam er een telefoontje binnen van een man die beweerde de seriemoordenaar te zijn. Ellis luisterde geconcentreerd en herkende het dialect van de wijk Castetown in Sunderland. Hij voegde er ongevraagd aan toe dat het zijns inziens om vals alarm gaat, maar de recherche verlegde haar onderzoek toch naar de omgeving van Sunderland. Drie moorden later bleek de dader, de vrachtwagenchauffeur Peter Sutcliffe, uit Bradford, West-Yorkshire, te komen. Een kwart eeuw later arresteerde de politie de beller. Hij woonde inderdaad in Castleton.
Bradford was toevallig ook de stad waar Stanley Ellis in 1926 werd geboren, in een familie van wolhandelaren. Hij ging naar het gymnasium en verwierf een plek op het Corpus Christi College van Cambridge. Net als professor Higgins’ vriend kolonel Pickering diende hij in India, een paradijs voor een ieder die is geïnteresseerd in dialecten. Op de universiteit van Leeds studeerde hij Engels en schreef hij een scriptie over het dialect van Lincolnshire. Praktijkkennis deed Ellis al reizende op. Hij trok door het land met een zijspanwagen, die hij later zou verruilen voor een Land Rover met een caravan zodat naast de opname-apparatuur ook zijn vrouw Jean en pasgeboren kind meekonden. In totaal bestudeerde hij 118 plattelandsdialecten, vooral pratend met oude boeren. Sommige interviews duurden achttien uur. Het resultaat van tien jaar veldwerk was het vierdelige naslagwerk Survey of English Dialects.
Vanaf eind jaren zestig trad Ellis regelmatig op als deskundige tijdens rechtszaken en ook de geheime dienst maakte gebruik van zijn kennis. Tevens doceerde hij Engels op zijn alma mater. Na vervroegd met pensioen te zijn gegaan, deelde hij zijn kennis met de luisteraars van Radio 4, gebruik makend van, zoals The Daily Telegraph het in haar in memoriam treffend omschreef, “his natural geniality”. In de serie Talk of the Town, Talk of the Country sprak hij met luisteraars over dialecten en beantwoordde hij tevens vragen over de herkomst van woorden, plaatsnamen en eigennamen. Aanvankelijk deed hij dat vanuit huis, maar het voortschreiden van de techniek maakte het mogelijk om dit, nog gekleed in zijn pyjama, vanuit zijn studeerkamer te doen. Dat het Engels een rijke taal is, illustreerde Ellis eens met het gegeven dat er liefst 88 woorden voor ‘linkshandig’ bestaan, variërend van ‘gibble-fisted’ tot ‘squivver-handed’. Ellis was geen taalpurist die tegen verandering was, maar de teloorgang van regionale dialecten deed hem verdriet. Hij klaagde erover dat het taalgebruik in de loop der jaren steeds simpeler, kaler en slordiger is geworden.
Zo is de variëteit aan dialecten afgenomen doordat mensen steeds meer zijn gaan reizen en niet meer hun hele leven in een bepaald gebied blijven wonen. Uit de onderzoeken van Ellis, wiens eigen West-Yorkshire-accent met de tijd wat minder sterk is geworden, is gebleken dat met name plattelandsbewoners in Noord-Engeland – en dan met name de mannen – hechten aan hun dialect. In het zuiden van Engeland beschouwden steeds meer mensen het spreken met een sterk accent als onbeschaafd. Dit snobisme speelt bijvoorbeeld in de politiek, waar Shaw’s adagium heerst dat het voor een Engelsman onmogelijk is zijn mond op te doen zonder dat een landgenoot hem veracht. Politici met een sterk accent zullen niet snel de absolute top bereiken. William Hague, de voormalige leider van de Conservatieve Partij, heeft dat gemerkt. Zijn belezenheid, humor en retorisch vermogen wogen niet op tegen zijn vroeg invallende kaalheid en vooral ook zijn Yorkshire-accent. Hague’s leermeesteres Margaret Thatcher schaamde zich dusdanig voor haar Lincolnshire-accent dat ze taallessen nam om net zo netjes te kunnen spreken als de koningin. Ex-minister Clare Short werd soms geplaagd wegens haar Birmingham-accent, bijvoorbeeld door Alan Clark die haar in zijn dagboeken omschreef als “dark-haired and serious with a lovely Brummie-accent”. Het beheersen van het Londense Cockney daarentegen, kan in populistische tijden wel van pas komen. Telkens wanneer hij verzeild raakte in het arbeideristische ‘Sarfeast Lunnun’ ging Tony Blair bewust plat praten, in een nepdialect dat bekend kwam te staan als ‘Mockney’.
Het dalende aantal regionale dialecten heeft er echter niet toe geleid dat iedereen Queen’s English is gaan spreken. Er is eerder een postmoderne chaos ontstaan, waarbij het Amerikaans-Engels één van de populairste dialecten is geworden. Het tanende niveau van het taalonderwijs en de opkomst van een infantiele twittercultuur zijn andere reden dat Algemeen Beschaafd Engels minder wijdverspreid is dan zou worden verwacht. Uitspraak is uiteraard nog altijd een aardige graadmeter van class. Mooi is het verhaal over een ober die een sjofele, in een soort pyjama geklede man aanvankelijk negeerde. Toen hij hem met tegenzin toch ging bedienen, sprong de kelner bijkans in het gelid nadat de gast ‘Water, please’ net zo had uitgesproken als de dandy Anthony Blanche dat zou hebben gedaan in de lunchscène van Brideshead Revisited. Voor dialectspecialisten bieden de grote steden extra uitdagingen dankzij het grote aantal immigranten die allen hun eigen manier van Engels spreken, van Hindi-Engels in Hounslow, Pidgeon-Engels in Peckham tot Franglais in South-Kensington. In The English noemt Jeremy Paxman, wiens uitspraak een Yorkshire-verleden verraadt, Engels “het Maleis van de wereld: gemakkelijk om te leren, nog gemakkelijker om slecht te spreken”. Voor de opvolgers van Ellis (en zijn geestelijk vader Higgins) zijn er, kortom, nog genoeg Eliza Doolittles om te bestuderen en te onderwijzen.
Patrick van IJzendoorn
Geef een reactie so far
Een reactie plaatsen