Notities uit een gekkenhuis


Schrijvende spionnen en spionerende schrijvers
20 oktober 2010, 09:31
Gearchiveerd onder: NRC Handelsblad

Tijdens zijn verblijf als spion in Athene besloot de Britse schrijver Compton Mackenzie een literaire dimensie te geven aan zijn clandestiene werk: hij schreef zijn verslagen over de voortgang van de Eerste Wereldoorlog in versvorm. Vanuit Londen reageerde zijn belezen baas enthousiast. “Please send us some more,” kreeg hij te horen. Het is één van de vele trefpunten tussen spionage en literatuur in MI6: the History of the Secret Intelligence Service 1909-1949 van de Noordierse historicus Keith Jeffery. Voor schrijvers was werk voor de geheime dienst een bron van inspiratie, terwijl zonder hen MI6 een personeelstekort zou hebben gehad.

In Nederland is zo’n kruisbestuiving onbekend. Arthur Docters van Leeuwen publiceerde, onder pseudoniem, erotische verhalen, maar dat was 17 jaar voordat hij baas van de BVD werd. Bovendien heeft het onderwerp, honeytraps daargelaten, weinig van doen met het spionagewerk. In Groot-Brittannië daarentegen lag literatuur zelfs ten grondslag aan het ontstaan van MI6 en haar binnenlandse zusterorganisatie MI5, waar vorig jaar een biografie over is verschenen. Ten tijde van Edwardiaans Engeland werd tussen de cricketwedstrijden en tuinfeesten door bezorgd gekeken naar de militaire ambities van de Duitse keizer. William Le Quex’ thrillers The Invasion of 1910 en Spies of the Kaiser zorgden voor een spionnenmanie. Rond dezelfde tijd verscheen Joseph Conrad’s The Secret Agent, dat begint met het waargebeurde verhaal van een mislukte aanslag op de Sterrenwacht in Greenwich.

Premier Herbert Asquith besloot een inlichtingendienst op te zetten. Buitenlandse spionage kwam voor rekening van de voormalige marinier Mansfield Cumming, die het vak als ‘capital sport’ beschouwde. Dat zijn ervaring met het verzamelen van informatie zich beperkte tot een reis naar Nederland en Zweden om meer te weten te komen over motoren van vissersboten, was geen bezwaar. Hij was dol op technologische uitvindingen, van snelle auto’s tot onzichtbaar inkt (sperma werkt het best). Een andere liefde was het geschreven woord. Dat een bevriende thrillerschrijver de laatste was die hem in juni 1923 levend meemaakte, was geen toeval.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog had Cumming de dood reeds in de ogen gekeken toen hij in Frankrijk tegen een boom reed, waarbij zijn zoon Alistair stierf (“Pool old Ally died” noteerde hij in zijn dagboek) en hij een been verloor. De mythe dat hij zijn been zelf met een zakmes had geamputeerd is te danken aan Mackenzie’s smeuïge trilogie over zijn spionageverleden, waarmee de auteur een celstraf wegens schending van geheimhouding net ontliep. Het strafproces was een waarschuwing voor andere ex-spionnen. Publiceren in het buitenland werd een alternatief.

Mackenzie nam wraak op de autoriteiten door een satire te publiceren, waarin het hoofdkantoor van MI6 het karakter van een gesticht krijgt. Voor literaire ex-spionnen bleek een combinatie van fictie en non-fictie de beste weg te zijn. De schrijver John Buchan had reeds in 1915 van zijn ervaringen bij de afdeling voor oorlogspropaganda op discrete wijze gebruikt bij het schrijven van The 39 steps, net zoals George Orwell dat dertig jaar later deed voor 1984. William Somerset Maugham exploiteerde zijn belevenissen als geheim agent in het spionvijandige Zwitserland, waar hij de leden van het Duits-Indiase Berlijn-comité in de gaten moest houden, en Rusland, waar de dandy onder de codenaam ‘Somerville’ tevergeefs de opmars van de bolsjewieken probeerde te stoppen, voor de verhalenbundel Ashenden, or The British Agent. Alfred Hitchcock benutte materiaal uit beide boeken.

Het besluit om Somerset Maugham in te huren had niet alleen te maken het onorthodoxe wervingsbeleid van Cumming en het feit dat een familielid van de romancier een topagent in New York was, maar ook omdat het schrijverschap een onopvallende dekmantel vormt. Dat geldt nog meer voor journalisten, voor wie het verzamelen van informatie een tweede natuur is. Het wemelt in Jeffery’s biografie van de journalisten die spion zijn geworden – andersom komt minder voor – waarbij Arthur Ransome een gedenkwaardig geval is. Als Britse spion had de Daily News-correspondent uitstekende contacten binnen het Kremlin: hij was bevriend met Lenin en trouwde met Trotski’s secretaresse. Hij schreef kinderboeken vol spionage-elementen.

Rondom de Tweede Wereldoorlog, een glorietijd voor MI6, viel de relatie tussen literatuur en spionage uiteen tussen schrijvers die tijdelijk geheim agenten werden en geheim agenten die schrijver zouden worden. Tot die eerste categorie behoort Graham Greene, die aan de vooravond van de oorlog The Confidential Agent had geschreven en naar West-Afrika mocht voor het echte werk. Greene’s dekmantel was soldaat, waarvoor hij een aparte stoomcursus moest volgen “so that he could wear battledress without embarrassment”. Uit Jeffery’s boek valt niet op te maken of Greene’s ervaringen letterlijk terugkomen in The Third Man. De schrijver en journalist Malcolm Muggeridge diende in Algerije, Parijs en Berlijn, waar hij de schrijver P.G. Wodehouse moest ondervragen over diens omstreden radiopraatjes.

In tegenstelling tot Greene en Muggeridge was Ian Fleming geen bekende schrijver toen hij de directeur van de Naval Intelligence ging assisteren. Pas na de oorlog verwierf hij faam met zijn Bond-verhalen. Dat Fleming opgroeide nabij het landgoed van de adellijke Bond-familie, afstammelingen van de zestiende-eeuwse spion John Bond, staat vast, maar het is altijd de vraag geweest hoeveel uit fantasie voortkomt. Uit Jeffery’s boek blijkt in ieder geval dat ‘007’ een combinatie van enkele spionnen is, zoals Fleming’s kompaan Wilfred Dunderdale, een charmante doch niet erg knappe rokkenjager, en de Nederlander Peter Tazelaar. De zowel in Goldfinger als in Soldaat van Oranje voorkoende scène waarin deze Engelandvaarder gekleed in smoking aanspoelt op het strand van Scheveningen en besprenkeld met Hennessy-cognac naar een bal gaat, staat beschreven.

Fleming zelf komt er wat bekaaid vanaf in Jeffery’s boek. Veel van zijn fantastische plannen, bijvoorbeeld om de occulte schrijver Aleister Crowley af te sturen op Rudolf Hess nadat deze op eigen initiatief een vredesmissie begonnen was, komen bijvoorbeeld niet ter sprake. Het is tevens een gemis dat vrijwel de hele Koude Oorlog ontbreekt – en daarmee Fleming’s rivaal John le Carré – omdat de archieven uit die tijd nog te vers zijn. Gaaandeweg maakte Jefferey duidelijk dat het leven van een geheim agent voor het grootste deel bestaat uit monnikenwerk en lang stilzitten, afgewisseld door galafeesten, een levensritme dat Somerset Maugham reeds had beschreven in zijn verhalen. Geen wonder dat schrijvers zo geschikt werden geacht voor het spionagewerk.

 

Patrick van IJzendoorn

 

MI6: the History of the Secret Intelligence Service 1909-1949 – Keith Jeffery

Bloomsbury, 2010.

810 blz.

30 euro

 

 

About these ads

Geef een reactie so far
Een reactie plaatsen



Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s



Volg

Get every new post delivered to your Inbox.

%d bloggers like this: